Hoe zicht houden op wat je toekomt ?

Bij de aanvang van de wet collectieve schuldenregeling ging er veel aandacht naar de schuldeisers, en de wijze waarop deze alsnog betaling van een openstaande schuldvordering konden bekomen. De aanvankelijk wet op de collectieve schuldenregeling ging immers in tegen het rechtsgevoel van heel wat juristen.
Gaandeweg – mede door eerder ongelukkig wetswijzigingen – ging de slinger overhellen naar de zijde van verzoekers, en werd het voor een schuldeiser alsmaar moeilijker duidelijk zicht te blijven houden op de procedure en de opvolging van de mogelijke inspanningen van een verzoeker. Hoe kan je als schuldeiser in de huidige stand van de wet en rechtspraak maximaal je rechten nog ‘valoriseren’ ?
Als schuldeiser in een collectieve schuldenregeling wil je uiteraard maar één ding, nl. worden terugbetaald, en als het even kan ook zo spoedig mogelijk. Dit alles hangt evenwel in grote mate af van de schuldmassa van de schuldenaar-verzoeker en zijn terugbetalingscapaciteit.
Behoudens een meevaller (nalatenschap, verkoop woning, etc.) wordt de terugbetaling in de regel over meerdere jaren gespreid, en is het lang niet zeker of ook alle schulden integraal zullen worden terugbetaald.

Een schuldeiser wil bij de aanvang een risico-afweging kunnen maken en inschatten hoeveel van de schuldvordering er zal worden terugbetaald, en of er uberhaupt zal worden terugbetaald. Hiervoor is nodig zo goed als mogelijk zicht te hebben op de schuldmassa en de terugbetalingscapaciteit van de schuldenaar-verzoeker om op die manier een risico-afweging, een inschatting van de mogelijke terugbetaling, te kunnen doen. Immers het ‘aanhouden’ van een administratief dossier is voor vele schuldeisers ook een hoogoplopende kost.

Voor schuldeisers is het bijgevolg zaak ‘een zeker zicht’ te hebben op de ‘mogelijkheden’ en ‘inspanningen’ die van de verzoeker-schuldenraar mogen en kunnen worden verwacht.
Welke mogelijkheden bestaan er voor de schuldeiser om met respect van de wet het dossier van de schuldenaar te kunnen opvolgen ? Niet echt veel zo blijkt, althans om geïnformeerd te blijven dient er geïnvesteerd te worden (in tijd en middelen voor opvolging), en welke schuldeiser wil zulks nu overwegen wanneer er reeds een mogelijks verlies is geboekt ? Tijd voor een analyse.

Hoe zich als schuldeiser informeren ?

Elke schuldeiser kan in principe steeds het griffiedossier inkijken, en zich op deze manier volledig en omstandig informeren. Voor de schuldeiser-particulier die betrokken is in één enkel dossier CSR is zulks wellicht een optie, al is het naar de griffie trekken voor inzage van een dossier wellicht ook ‘een drempel’. Voor de ‘geïnstitutionaliseerde schuldeisers lijkt het onbegonnen werk, over de rechtbanken heen, de griffiedossiers in tientallen dossiers te gaan inkijken. Zoals in de introductie uiteengezet vraagt het een grote inzet van tijd en mankracht, en dient de afweging te worden gemaakt of een dergelijke demarche in elk dossier noodzakelijk is.

Jaarverslagen kunnen door de schuldeisers in principe slechts ter griffie worden ingekeken (art. 1675/17 Ger. Wb.)

Elke schuldeiser kan anderzijds ook vragen stellen aan de schuldbemiddelaar indien er indicaties zijn in een dossier die verduidelijking behoeven. Op deze manier kan elke schuldeiser zich laten informeren. Bepaalde informatie kan evenwel door de schuldbemiddelaar overeenkomstig de wet niet worden verstrekt (bv. detailgegevens rond uitgaven van verzoeker). Volgens het Hof van Cassatie behoort het ook niet tot de taak van de schuldbemiddelaar om de schuldeisers na een zitting te informeren over het verloop van de zitting. iedere schuldeiser kan immers zondermeer verantwoordelijkheid nemen er ter zitting aanwezig zijn of zich desgevallend laten vertegenwoordigen via een advocaat.

Een schuldeiser wordt opgeroepen voor een zitting

Anders ligt het wellicht toch voor de aanwezigheid op openbare zittingen waarop de schuldeisers worden opgeroepen. In geval van herroeping of behandeling van problemen (art. 1675/14 §2 Ger. Wb.) worden de schuldeisers in een dossier voor de openbare zitting opgeroepen.

Het vormt in heel wat rechtbanken de praktijk om niet langer de tekst van een verzoek mee te zenden in bijlage van de oproeping. De oproeping bevat bijgevolg enkel een verwijzing naar het wetsartikel op basis van dewelke de oproeping plaatsheeft. Deze praktijk is om uiteenlopende redenen bekritiseerbaar.
De opgeroepen partijen ontvangen op deze manier geen concrete inhoudelijke informatie omtrent de redenen van de oproeping. De kosten van de procedure verhogen omdat de opgeroepen partijen de schuldbemiddelaar ondervragen naar de redenen van de oproeping. De ‘kost’ van deze wijze van verzending wordt afgewenteld op de verzoeker-schuldenaar of de FOD ECON (voorheen Fonds).
Inhoudelijk niet-geïnformeerde opgeroepen partijen geven al vaker aanleiding tot uitstel of voortzetting van de zaak op een latere datum.
Om dit op te vangen hebben de schuldbemiddelaars de instructie ontvangen bij het neerleggen van een verzoek tot herroeping daarvan de verzoeker-schuldenaar te verwittigen (bij gewoon schrijven) met in bijlage een kopie van het neergelegde verzoek.

De praktijk leert dat de schuldeisers in geval van (blinde) oproeping zelden of nooit de moeite nemen op zitting aanwezig te zijn. Hooguit wordt voorafgaandelijk aan de zitting de schuldbemiddelaar schriftelijk of telefonisch ondervraagd zonder dat zulks aanleiding geeft tot een verhoogde aanwezigheid op de zitting waarop het dossier wordt behandeld. Ook hier zal iedere schuldeiser een zekere afweging dienen te maken tussen wat ‘er nog te halen valt’ en ‘de kost’ van een aanwezigheid ter zitting in persoon of bij monde van een advocaat.

De afwezigheid van de schuldeisers ter zitting valt te begrijpen, al dienen schuldeisers zich ten volle te realiseren dat er op die zittingen toch heel wat elementen mondeling worden gewisseld tijdens het interactief debat, en er ‘mogelijkheden’ en of ‘inspanningen’ die tot voordeel van de schuldeisers zouden kunnen strekken, verloren gaan of niet worden opgepikt en uitgediept bij afwezigheid van de schuldeisers.

De opmerking dat de schuldbemiddelaar als motor van de procedure kan waken over het evenwicht tussen de mogelijkheden en inspanningen van de schuldenaar-verzoeker enerzijds, en wat schuldeisers aan terugbetalingen mogen verwachten anderzijds, dient te worden genuanceerd. De schuldbemiddelaar kan inderdaad bewaker zijn van het gegeven dat verzoeker ‘voldoende inspanningen’ tot terugbetaling aan de schuldeisers doet, doch de effectieve hefbomen om verzoeker al dan niet te activeren, te mobiliseren en de inspanningen te bewaken, liggen veeleer bij de rechter – zeker op de zittingen – waar de rechter anders dan in andere proceszittingen actief kan tussenkomen en een stempel kan drukken op de gang en evolutie van een dossier. Afhankelijk van de houding van de rechter (als ‘leidende of lijdende rechter’) kan de schuldbemiddelaar veel of weinig de inspanningen bewaken.

Het komt al te vaak voor dat ‘terugbetalingscapaciteit en -mogelijkheden’ voor de schuldeisers verloren gaan daar waar op zitting onvoldoende efficiënt de nodige inspanningen van verzoekers worden benadrukt en opgelegd eenvoudigweg door het afwezig blijven van de schuldeisers op de zitting.
Waneer bv. ‘het bewaren van de lieve vrede’ voorop staat, of de rechter geen herroeping wenst uit te spreken maar ook geen voorwaarden oplegt voor verdere medewerking van verzoeker, dan staat veelal de terugbetaling aan de schuldeisers ook niet direct op de voorgrond.

Het zou te ver gaan alle zittingen op die manier voor de schuldeisers als een verlies te kwalificeren, doch afhankelijk van de tussenkomst van de rechter en de aard van de discussie, zou de aanwezigheid van de schuldeiser of diens raadsman (met degelijke kennis van de procedure en gebruiken binnen de collectieve schuldenregeling) heel wat dingen in de richting kunnen sturen van een hogere terugbetaling aan de schuldeisers, en voor verzoeker met behoud van de voordelen van de collectieve schuldenregeling. Daarvoor is het evenwel meer gespecialiseerde kennis nodig in hoofde van schuldeisers en of de raadsman om de ‘bijzonderheden’ van de procedure te vatten zodat op de zitting ook die effectiviteitswinst kan worden geboekt.

Het is mijn overtuiging dat indien schuldeisers de zittingen en de redenen waarom er een zitting plaatsheeft beter zouden assessen, en in de ‘nuttige’ gevallen een raadsman zouden afvaardigen via bv. een abonnement-syteem, de gemiddelde terugbetalinsinspanningen en mogelijkheden zouden vergroten en er aan de schuldeisers systematisch meer zouden worden terugbetaald.

De schuldbemiddelaar als motor van de procedure

Wanneer anderzijds een schuldeiser zich eerder afwezig houdt door de tussenkomst in de procedure te beperken tot een eenvoudige aangifte van schuldvordering en een instemming met het plan, dan lijkt de schuldeiser te vertrekken van een aantal aannamen. Het is nog maar de vraag of deze aannamen de juiste zijn.
Bij het opstellen van een aanzuiveringsplan spelen immers een aantal variabelen mee waarvan wordt uitgegaan dat ze bewaakt worden door de schuldbemiddelaar die als motor van de procedure wordt gezien.
Deze benadering en aanname vraagt om een zekere commentaar.

Het volstaat de invoering art.3 van de Wet van 26 maart 2012 (wetswijziging CSR) in herinnering te brengen. Deze bepaling stelt dat de gedetailleerde staat van de lasten en tegoeden van de verzoekers nog slechts mag opgenomen worden als BIJLAGE bij het plan en enkel wordt voorgelegd aan de rechter (m.a.w. niet aan de schuldeisers) – art. 1675/10 § 2/1 Ger. Wb.). Deze bepaling is van toepassing op collectieve schuldenregelingen waarvan de toelaatbaarheid dateert van na 23 april 2012. Dit belet de schuldbemiddelaar weliswaar niet in het plan een idee te geven omtrent de uitgaven zo hij dit nuttig acht om de hoegrootheid van het leefgeld te verantwoorden, doch zonder hieromtrent in detail te gaan.

Anderzijds bepaalt de wet ook niet dat de gegevens die aan de rechter worden verstrekt in een ‘geheim dossier’ zouden terechtkomen ter griffie. De bijlagen bij het plan welke ter griffie worden neergelegd met het oog op de homologatie, dienen eenvoudigweg aan het griffiedossier te worden toegevoegd.

Op welke manier is de schuldeiser hier dan nog juist geïnformeerd ? Hoe kan een schuldeiser op deze manier een juiste risico-afweging maken ? Het lijkt alsof de meeste schuldeisers gelaten een aanzuiveringsplan aanvaarden in de schrik nog meer uitgaven te moeten stellen om de zaak beter op te volgen of te laten opvolgen, of er (verkeerdelijk) van uitgaan dat de schuldbemiddelaar het ‘evenwicht’ bewaakt.

Van weinig naar meer en betere informatie

Schuldeisers ontvangen buiten het ontwerp van aanzuiveringsplan en de homologatie weinigs meer aan informatie. Nogmaals, niets belet hen om griffiedossier in te kijken, op die manier de jaarverslagen in te lezen, de bijlagen bij het plan in te kijken en op die manier zich vertrouwt te maken met de inhoudelijke elementen van een dossier.
Niets belet om via geschreven weg de schuldbemiddelaar in een dossier om meer informatie op te vragen om op die manier een meer afgewogen ‘assesment’ te kunnen maken van de noodzaak aan een tussenkomst bij de schuldbemiddelaar of ter zitting wanneer een zaak wordt opgeroepen.

Inhoudelijk zegt een aanzuiveringsplan bijgevolg weinig. Ook een getrapt inhoudingssysteem (systeem Leuven) is in dit opzicht niet zaligmakend. Wat er zal worden ingehouden en wanneer, zegt niets over wat finaal de schuldeisers zullen ontvangen. Het heeft het voordeel dat er bij gewijzigde omstandigheden niet steeds nieuwe afspraken (en aanzuiveringsregelingen) dienen te worden gemaakt over wat er zal worden ingehouden. Vreemd is dat als dit systeem dermate efficiënt zou zijn, de schuldeisers niet in alle dossiers hiervan toepassing vragen. Ook dit soort getrapte inhouding heeft een factor van ‘onzekerheid’.

Tenslotte worde nog opgemerkt dat er heel wat zittingen in raadkamer worden georganiseerd waarop enkel de verzoeker-schuldenaar en de schuldbemiddelaar aanwezig zijn. In geval van problemen met de verzoeker kan de schuldbemiddelaar de rechter vragen een zitting in raadkamer te organiseren. In de beslotenheid van de raadkamer kan een probleem worden besproken. de schuldeisers worden hiervan niet verwittigd en de achterliggende problematieken blijven vaak ‘verborgen’ voor de schuldeisers (hoewel ook hun belangen vaak aan de orde zijn).
Het verdient meer dan aanbeveling om afspraken met de schuldenaar-verzoekers vast te leggen op het zittingsblad.

CONCLUSIE

Slotsom : schukdeisers ontvangen in de loop van de procedure bijzonder weinig concrete informatie om zelf een (risoco-)inschatting van een dossier te kunnen maken. Hun vertrouwen in de schuldbemiddelaar is niet altijd gerechtvaardigd zoals hoger uiteengezet. Tot grote verbazing roeren de schuldeisers zich weinig in dit toch wel interessante en noodzakelijke debat. Mogelijks biedt een digitaal centraal register voor de CSR een oplossing voor de toekomst.