Welke elementen bepalen en beïnvloeden de ‘prijs’ van een collectieve schuldenregeling?

In de huidige stand van de wetgeving is de tussenkomst van een gerechtelijke mandataris schuldbemiddelaar in het kader van een collectieve schuldenregeling niet gratis. Aan een procedure collectieve schuldenregeling zit nl. een prijskaartje vast in de vorm van de staat van kosten en erelonen van de schuldbemiddaar.

Het is in eerste orde de schuldenaar-verzoeker de de staat van de schuldbemiddelaar regelt en betaalt. De wet bepaalt dat de schuldbemiddelaar hiervoor nl. een reserve aanlegt. Wanneer de reserve onvoldoende is of niet kan worden aangelegd, kan de schuldbemiddelingsrechter in sommige gevallen deze staat ten laste van de FOD Economie (voorheen het FONDS voor overmatige schuldenlast) leggen.In dit laatste geval is het dan de overheid die de staat van de schuldbemiddelaar betaalt.

De kostprijs van de procedure collectieve schuldenregeling omvat de verrichtingen die de schuldbemiddelaar kan aanrekenen. Deze prestaties zijn vastgelegd bij K.B. Deze bedragen zijn ook geïndexeerd.
De handelingen van de schuldbemiddelaar worden forfaitair vergoed per gestelde prestatie.
Hoewel de meeste handelingen van de schuldbemiddelaar bij de wet worden bepaald, is het toch zo dat een verzoeker-schuldenaar dient rekening te houden met een aantal elementen die het ‘prijskaartje’ kunnen beïnvloeden. Kennis van deze elementen stelt de schuldenaar-verzoeker in staat er proactief mee om te gaan en het ‘prijskaartje’ van de procedure te drukken en positief te beïnvloeden.
De wetgever heeft inzake de collectieve schuldenregeling niet gekozen voor de goedkoopste oplossing (als die er al zou zijn). Het prijskaartje van de procedure wordt mede bepaald door een aantal elementen die in de regel weinig aandacht krijgen.

Huidig artikel wil een aantal van deze elementen belichten, en de schuldenaar-verzoeker uitnodigen daar waar mogelijk pro-actief mee te denken om de ‘kostprijs’ van de procedure te drukken. Maar hoe ? Eenvoudig, bewustwording van een aantal ‘prijs-zetters’ in de procedure maakt dat er in sommige omstandigheden anders kan mee worden omgesprongen.

Het vertrek van de redenering is eenvoudig. Wanneer elke door de schuldbemiddelaar gestelde handeling een vergoeding impliceert, is het zaak om te gaan kijken om de tussenkomsten van de schuldbemiddelaar daar waar mogelijk te verminderen of te groeperen, zodat zulks een onmiddellijk effect heeft op het aantal tussenkomsten en de kostprijs ervan. Op die manier wordt de procedure collectieve schuldenregeling ook een samen-denken en meer nog een ‘samen-werking’ waar geven en ontvangen op elkaar worden afgestemd.
Het geheel van handelingen die de schuldbemiddelaar stelt, vertalen zich in de staat van kosten en erelonen. Die handelingen worden forfaitair vergoed overeenkomstig een K.B.
Het is in eerste orde de schuldenaar-verzoeker de de staat van de schuldbemiddelaar regelt en betaalt. De wet bepaalt dat de schuldbemiddelaar hiervoor nl. een reserve aanlegt. Wanneer de reserve onvoldoende is of niet kan worden aangelegd, kan de schuldbemiddelingsrechter in sommige gevallen deze staat ten laste van de FOD Economie (voorheen het FONDS voor overmatige schuldenlast) leggen.In dit laatste geval is het dan de overheid die de staat van de schuldbemiddelaar betaalt.

Hoewel de meeste handelingen van de schuldbemiddelaar bij de wet worden bepaald, is het toch zo dat een verzoeker-schuldenaar dient rekening te houden met een aantal elementen die het ‘prijskaartje’ kunnen beïnvloeden. Kennis van deze elementen stelt de schuldenaar-verzoeker in staat er proactief mee om te gaan en het ‘prijskaartje’ van de procedure te drukken en positief te beïnvloeden.

1. Kosten en ereloonafspraken

Voornoemd K.B. gaf aanleiding tot heel wat interpretatieproblemen bij de begroting van de prestaties van de schuldbemiddelaars. Om hiermee komaf te maken werden er tussen de schuldbemiddelaars en de rechtbanken afspraken gemaakt die werden vastgelegd in richtlijnen voor de schuldbemiddelaars. Op deze manier werd het mogelijk om per rechtbank de interpretaieproblemen op te lossen en een antwoord te bieden op mogelijk hoge kosten en ereloonstaten en aanhoudende begrotingsproblemen.

Thans zijn er kosten en ereloonafspraken voor grotere ressorten (bv. Gent) die meerdere rechtbanken omvat, zodat meteen ook een zekere mate van uniformiteit zich heeft ingezet. Hoewel de richtlijnen het stempel dragen ‘het belang van de verzoeker-schuldbemiddelaar te dienen’, zijn deze richtlijnen alleen bekend aan de rechtbank en de schuldbemiddelaars. Daar deze richtlijnen in grote mate bepalend zijn voor de hoegrootheid van de staat van de schuldbemiddelaar, verdient het meer dan aanbeveling dat dezelde richtlijnen overal dezelfde zouden zijn (uniformiteit) en consulteerbaar voor de schuldenaar-verzoeker (transparantie).

2. Vragen en vraagstelling groeperen en stroomlijnen

Een verzoeker-schuldenaar heeft in de regel vele vragen voor de schuldbemiddelaar over de procedure en het leefgeld. Dit alles vertaalt zich in vele telefonische oproepen en menigvuldige mailberichten, soms meerdere per dag van de dezelfde verzoeker.

Voor elke handeling die de schuldbemiddelaar stelt en die die verband houdt met een gestelde vraag, wordt een prestatie aangerekend. De kosten lopen op. Hoe meer vragen in de regel, hoe meer de kost voor communicatie (brief) oploopt. De schuldenaar-verzoeker kan deze kost die wordt gegenereerd uit menigvuldige vraagstelling indijken, door vragen meer gestructureerd en bv. één maal per week aan de schuldbemiddelaar over te maken ipv. elke dag. Voor de schuldbemiddelaar is het geen optie vragen van de verzoeker onbeantwoord te laten. Langs de andere kant is een goed georganiseerd schuldbemiddelaar bij machte elke vraag quasi onmidellijk te beantwoorden hetgeen de staat van de schuldbemiddeaar uiteraard positief beïnvloed.

De kosten van de procedure beheersbaar houden, is maat houden in de veelheid van vragen, en de vraagstelling stroomlijnen.

3. Afspraken rond communicatie bij tussenkomst van een OCMW

Daar waar de schuldenaar-verzoeker wordt bijgestaan door een maatschappelijk assistent van het OCMW in het kader van bijstand, budgetbeheer of budgetbegeleiding, dienen er tussen de verzoeker en de maatschappelijka ssistent afspraken te worden gemaakt over hoe de communicatie met de schuldbemiddelaar zal gaan verlopen.

Wanneer de verzoeker en de maatschappelijk assistent elk op hun beurt de schuldbemiddelaar bevragen, leidt zulks onvermijdelijk tot een hoge kosten voor briefwisseling hetgeen de kost van de procedure uiteraard de hoogte in jaagt.

Ondanks alle inspanningen blijft het toch zeel moeilijk op dit aspect efficiëntiewinst te boeken.
Wie stelt de vragen , en wie ontvangt het antwoord van de schuldbemiddelaar ? Het lijkt een eenvoudige vraag, doch in de praktijk geeft de problematiek aanleiding tot vaak dubbele of verhoogde kost.
De (voor)kennis van de maatschappelijk assistent van de finesses van de procedure collectieve schuldenregeling, en kennis van de werkwijze van schuldbemiddelaar, zijn anderzijds ook in grote mate bepalend voor een al dan niet hogere ‘kostenpost’.

4. Kennis rond CSR wanneer bijstand

De procedure collectieve schuldenregeling is doorheen de jaren via (weinig doortastende) wetgeving en rechtspraak een complex geheel geworden. Het is binnen de juridische sector tot een bijzondere nicheactiviteit geworden met speciale en afwijkende ‘regeltjes’ (over de ressorten heen).

Bijstand en informatie voor de schuldenaar-verzoeker is soms nodig en nuttig, doch voor een nicheactiviteit is het niet altijd eenvoudig goede en accurate informatie te vinden. Al te vaak dient te worden vanstgesteld dat de bijstand niet altijd leidt tot het beste advies of informatie en het kostenplaatje er ook bij inschiet.

Voorkennis van de bijzondere procedure collectieve schuldenregeling is een absolute noodzaak wanneer bijstand wordt verleend aan een verzoeker-schuldenaar. Hierbij dient te worden gedacht aan kennis van de wet, de richtlijnen, rechtspraak, de werkwijze van een schuldbemiddelaar, etc. Het mag dan wel zijn dat de bijstand veelal wordt betaald wordt via tussenkomst van de overheid (OCMW, ACW of pro deo-syteem), een inefficiënte bijstand laat zich ook vertalen in een oplopend kostenplaatje voor de verzoeker.

5. Het aantal schuldeisers bepalen de kost

Niet de hoogte van de schuldmassa is mede-bepalend voor de kost van de procedure, doch wel het aantal schuldeisers. Hoe meer schuldeisers er nl. zijn, hoe hoger de staat van de schuldbemiddelaar oploopt. Dit volgt uit de wet en de uitvoeringsbesluiten. Het is bijgevolg zaak om voor de aanvraag van de procedure even te kijken of het mogelijk is kleinere schuldeisers toch nog te regelen daar waar mogelijk. Vele kleinere schuldeisers hebben een omgekeerd evenredig effect op de kost van de procedure zoals gezegd.

Conclusie

Elk van de voorgaande 5 elementen is bepalend voor de hoogte (of de matiging) van de kost verbonden aan een procedure collectieve schuldenregeling. Indien de verzoeker-schuldenaar de staten voor kosten en erelonen van de schuldbemiddelaar lager wil hebben, dan is het aandacht hebben voor de hierboven geschetste problematieken.